Come on, you Fortis!

11-2008
Lettergrootte:   
Langs Fourth Avenue in Brooklyn staat een New Yorker naar me te gillen. Hij balt zijn vuisten. Maar hij wil me niet aanvliegen.

Sterker nog: hij is niet eens boos, hij moedigt me aan. Hij gilt dingen als ‘Come on’ en ‘Going good!’. Zijn gebalde vuisten gaan langzaam open en worden klappende handen.

Ik ren op deze frisse zondagochtend in november 2008 inmiddels een kilometer of tien door zijn stad. Als ik er straks nog 32 heb afgelegd, ben ik klaar met de New York City marathon. Ik ren niet alleen. Ik ben met nog 40.000 andere renners.

New York is niet de eerste stad waar ik een marathon loop. Het is wel de eerste stad waarin zoveel mensen langs de kant staan die zo veel en zo hard roepen. De vaste deelnemers aan de NYC Marathon weten dat. Onder hen is het dan ook een gebruik om hun voornaam op hun renshirt te schrijven. Zo kan de New Yorker op de stoep zijn aanmoedigingskreet personaliseren tot ‘You Go Peter!’ of ‘Almost there Rose’ en daarmee de massale eenzaamheid van elke loper verheffen tot een miniem moment van persoonlijke glorie.
Ik wist dat niet, van die voornamen.

Mijn broertje, die eerst naast en daarna vlak achter me loopt, wist het ook niet.  We vinden het wel leuk dat mensen naar ons roepen, maar het duurt toch een paar kilometer voor we begrijpen wat ze roepen.
Ik: “He broertje, wat roepen die Yanks nou eigenlijk?”
Broertje: “’Come on, For’ of zoiets.” Ergens aan het begin van Queens valt het kwartje. Die Yanks, die roepen ‘Come on, Fortis’ naar ons. Nu heet ik geen Fortis. En mijn broertje ook niet.

Mijn broer en ik, trouwe Feyenoord-supporters, hadden besloten de NYC-marathon te lopen in het shirt van onze favoriete ploeg. Ik in het uit-shirt, broertje in thuis-shirt. In 2008 werd Feyenoord gesponsord door een bank. Jawel, Fortis. Verstand van voetballen hebben ze niet, die Amerikanen. Maar, aanmoedigen kunnen ze als de beste.