Dit voorjaar werkte ik twee maanden op het kantoor in New York en woonde in een appartement dat van alle gemakken was voorzien. De kolonisten van destijds klaagden bij hun Hollandse bazen over hun zware leven. Hoe moeilijk het moet zijn geweest, begreep ik het best op Philipsburg Manor, een landgoed iets ten noorden van New York, dat ik tijdens mijn verblijf bezocht. In de 18e eeuw was dit landgoed eigendom van ene heer Flipse. Hij was afkomstig uit Friesland.
Flipse, die zich liet omdopen tot Philips, kocht van het geld dat hij met de zeehandel had verdiend land in Amerika. Hij begon graan te verbouwen en meel te verschepen. In korte tijd werd hij schatrijk. De lichamelijke arbeid verrichtte hij uiteraard niet zelf: het land verpachtte hij aan boeren. Op Philipsburg Manor woonden 23 slaven die het land bewerkten, de watermolen bedienden, enzovoort. Zij werkten zes dagen in de week. Op de zevende dag hadden ze het 'recht' om in de moestuin wat eigen eten te verbouwen – ongetwijfeld voor Philips een kostenbesparing.
Wanneer je het landgoed bezoekt, word je ontvangen door gidsen in kostuum die uitleggen hoe Philips, zijn pachters en zijn slaven leefden. Ik realiserde me hoe langzaam alles toen ging, en hoeveel moeite mensen moesten doen om in hun basisbehoeften te voorzien. In de keuken begreep ik hoe karig de maaltijd was aan het einde van de winter. In het huis op het landgoed waren mooie, luxe kamers, waar Philips verbleef als hij het landgoed bezocht. Beneden sliepen de slaven hutje-mutje op de vloer. In het kantoor van Philips hing zijn kaart van Holland en Zeeland. Ik zag de Wieringermeer – toch iets vertrouwds in een groot, vreemd land.


