Johannes de Laet

1625
Lettergrootte:   
Johannes de Laet was in het bezit van het reisjournaal van de ontdekkingsreiziger Henry Hudson. Een prachtige bron! Hij gebruikte deze voor zijn boek ‘Nieuwe wereld ofte Beschrijvinghe van West-Indien’ dat verscheen in 1625, waarin hij de ontdekking van Manhattan door Henry Hudson beschrijft (zie beeld).
Nieuwe Wereldt ofte Beschrijvinghe van West-Indien, 1625 (detail), foto: Nationaal Archief

De Laet kon dus uit eerste hand citeren: “Hendrick Hudson die dese rieviere eerst heeft ontdeckt.... beschrijft ons de manieren ende ghestalte van ’t volck / welck hy stracx binnen die baye vondt aldus: “Als ick aen landt quam / stonden alle de Swarten en songhen op haer wijze...”. Dankzij De Laet weten we meer over de ontmoetingen tussen Hudson en de Indianen. Over het algemeen waren dat vriendelijke gebeurtenissen, waarbij over en weer geschenken werden uitgewisseld. Toch is het beeld dat De Laet schetst van de Indianen niet bepaald positief. In zijn ogen waren het barbaren, die niet in god geloofden maar in plaats daarvan duivelaanbidders waren. Bovendien leven ze in een voor de Laet volstrekt ongeorganiseerde samenleving. In navolging van Hudson beschrijft hij hoe de Sanhikans leefden, een groep die tot de Delware-indianen behoorde. Hij geeft een indruk van hun taal en neemt in zijn boek een paar woorden op, zoals telwoorden, namen van lichaamsdelen, dierennamen en woorden die met het weer te maken hebben.

De Laet was behalve schrijver ook ondernemer en  bewindhebber van de in 1621 opgerichte West Indische Compagnie (afbeelding octrooi). Hij was een van de invloedrijkste personen binnen de onderneming. Soms schrijft hij hierover. De Laet wil de lezer duidelijk maken hoe de Republiek aanspraak kon maken op bepaalde gebieden in de kolonie. Met andere woorden, hij schreef waarom de Republiek recht had op deze overzeese gebieden. Het gebied is als eerste door Nederlanders ontdekt: ”(...) Konden niet vernemen dat eerder Christenen op deze rivier geweest waren”. Vervolgens is het land door de Nederlanders in gebruik genomen en door hen bewoonbaar gemaakt.
De Laets voornaamste bezigheden hebben zich altijd tot West-Indie en de WIC beperkt. De tweede druk was 'in ontallijke plaatsen verbeterd, met eenige kaarten, beelden van verscheide dieren en planten vercierd' (Leiden 1630). Hiervan verscheen ook een Latijnse en een Franse vertaling. Later schreef De Laet zijn 'Historie ofte Jaerlijck verhael van de verrichtinghen der Geoctroyeerde Westindische Compagnie sedert haer begin tot het einde van het jaar 1636, begrepen in XIII boecken, met kopere platen vercierd' (Leiden 1644). Dit werk is nog altijd de hoofdbron voor de oudste geschiedenis van de Westindische Compagnie.